Utrecht, een mensenrechtenstad voor Roma, Sinti en woonwagenbewoners?

Utrecht is er trots op de eerste mensenrechtenstad van Nederland te zijn. Ten aanzien van Roma, Sinti en woonwagenbewoners hanteert de stad echter een uitsterfbeleid die geheid een einde zal maken aan de leefstijl van deze gemeenschappen in de Domstad.

Stel je een jongeman voor wiens moeder zojuist is overleden. Hij krijgt een brief van de burgemeester, die schrijft dat de gemeente zijn moeders woning zal afbreken en op de standplaats een betonnen blok zal plaatsen. De burgemeester zegt dat hij een einde wil maken aan de levenswijze van de man. Voor Roma, Sinti en woonwagenbewoners in Nederland is dit verhaal niet moeilijk voor te stellen. Het is hun realiteit.

Net als in andere Noord- en West-Europese landen, zijn in Nederland verschillende gemeenschappen van Roma, Sinti en woonwagenbewoners gevestigd. Hoewel deze groepen tegenwoordig voornamelijk in permanente of semipermanente woonwagens wonen, maakt hun rondtrekkende bestaan een belangrijk onderdeel uit van hun cultuur.

Het is niet opportuun om hier diep in te gaan op de mensenrechtensituatie van Roma, Sinti en woonwagenbewoners. Een uitgebreid rapport van de Commissaris voor de Mensenrechten van de Raad van Europa schetst een beeld dat gekenmerkt wordt door vooroordelen, stereotypen, discriminatie en geweld.

Conflicten over huisvesting

Gemeenten in Nederland, waaronder de gemeente Utrecht, hebben een conflictverleden met deze gemeenschappen. Hierbij is huisvesting het voornaamste strijdpunt. De conflicten, die in de afgelopen jaren zijn verergerd, vinden plaats op lokaal niveau. De regering heeft geen huisvestingsbeleid voor Roma, Sinti en woonwagenbewoners en schuift deze verantwoordelijkheid nadrukkelijk af op de gemeenten, die worden verzocht de situatie in woonwagenkampen te ‘normaliseren’.

Het begrip normalisering impliceert dat gemeenten de leefstijl van woonwagenbewoners niet als ‘normaal’ moeten beschouwen. De regering geeft gemeenten een keuze uit vijf beleidsvarianten om te zorgen voor normalisering. De eerste variant is de ‘nuloptie’, waarbij helemaal geen ruimte meer wordt geboden aan woonwagenstandplaatsen. Bij de andere vier varianten is sprake van een ‘afbouwbeleid’, een ‘woonvisiebeleid’ (het wonen op een standplaats wordt hierbij ingebed in regulier gemeentelijk huisvestingsbeleid), een ‘vraaggericht specifiek beleid’ en een ‘neutraal beleid’. Bij het kiezen van hun beleidsvariant en het toepassen hiervan in individuele gevallen, verzoekt de regering de gemeenten niet om rekening te houden met de mensenrechten.

Veel gemeenten hebben ‘normalisering’ en de ‘nuloptie’ opgevat als een ‘uitsterfbeleid’ voor woonwagenstandplaatsen en hebben hun intenties op dit gebied openlijk kenbaar gemaakt. Zo verklaarde de burgemeester van Waalre in 2012 dat hij woonwagenkampen wil laten ‘uitsterven’.

De gemeenten lijken te kunnen rekenen op steun uit Den Haag en van het Openbaar Ministerie. Het OM is geen strafrechtelijk onderzoek begonnen na aangifte tegen de burgemeester van Waalre voor het aanzetten tot haat omdat woonwagenbewoners, waaronder ook Roma en Sinti, niet kunnen worden gezien als ras of etnische groep.

Legitimiteit van uitsterfbeleid

Deze opvatting, die mogelijk ingaat tegen talloze uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), wordt waarschijnlijk aangevochten, net als het lokale uitsterfbeleid dat in verschillende gemeenten wordt gehanteerd. In navolging van projecten in Europa waarbij beleid tegen woonwagenbewoners wordt aangevochten, is het uitsterfbeleid van woonwagenkampen recentelijk onderwerp geworden van het Public Interest Litigation Project (PILP) van het Nederlands Juristen Comité voor de Mensenrechten.

In februari 2015 heeft PILP opdracht gegeven voor een studie naar de legitimiteit van het uitsterfbeleid van woonwagenstandplaatsen in Nederland. De studie is uitgevoerd door Rachel Dijkstra, masterstudent Legal Research aan de Universiteit Utrecht, onder begeleiding van Jessy Emaus van het Utrecht Centre for Accountability and Liability Law. Zij concludeert dat het uitsterfbeleid niet alleen onethisch is, maar ook onverenigbaar met internationale en Europese mensenrechtenconventies en jurisprudentie.

De eerste gemeente die door PILP is aangepakt, is Oss. Het uitsterfbeleid van Oss is erop gericht om woonwagenstandplaatsen te ontmantelen zodra de bewoners van de woonwagens overlijden. Kinderen van de overledenen mogen niet in de woonwagen van hun ouders wonen. Betonblokken worden geplaatst om ervoor te zorgen dat er geen nieuwe woonwagens op de standplaats worden gebouwd. Het uitdrukkelijk aangegeven doel van dit beleid is het laten ‘uisterven’ van de cultuur van Roma, Sinti en woonwagenbewoners.

In december 2014 oordeelde het College voor de Rechten van de Mens (CRM) dat dit beleid discriminerend is. Volgens het CRM is het beleid in strijd met Nederlandse wetgeving op het gebied van gelijke behandeling en het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie

Aangezien de gemeente Oss vasthoudt aan haar beleid, valt verdere procesvoering te verwachten. ‘‘We willen dat Oss tenminste de gevolgen van het beleid voor de mensenrechten in overweging neemt in individuele gevallen’’, legt coördinator van PILP, Jelle Klaas, uit. ‘‘Dit is volgens het EHRM de minimumnorm. Met dit doel voor ogen bereiden wij samen met een groot advocatenkantoor uit Amsterdam onze zaak voor.’’

Net als Oss heeft ook Utrecht een uitsterfbeleid, ook al wordt er daar een andere naam aan gegeven. In een beleidsnotitie van de gemeente uit 2013 staat dat het huidige aantal woonwagenstandplaatsen in Utrecht (137) in stand gehouden moeten worden, ook al staan er veel mensen op een wachtlijst. Daarnaast wordt gesteld dat de wachtlijst moet worden samengevoegd met de reguliere wachtlijst voor huisvesting in de stad. Van verwijzingen naareen mensenrechteneffectbeoordeling is in de notitie geen sprake.

Volgens vertegenwoordigers van woonwagenbewoners komt dit beleid erop neer dat woonwagenstandplaatsen beschikbaar worden voor mensen die niet tot de gemeenschap van Roma, Sinti en woonwagenbewoners behoren, wat onvermijdelijk een einde zal maken aan de leefstijl van Roma, Sinti en woonwagenbewoners in Utrecht.

Utrecht is er trots op om de eerste mensenrechtenstad van Nederland te zijn. En terecht. Maar zoals de zaak van Roma, Sinti en woonwagenbewoners laat zien, is dit geen eenvoudige taak, zeker als er zo dicht bij huis mensenrechten op het spel staan.

In het licht van de recente uitspraak van het CRM, de studie van PILP en de procesvoering tegen Oss, heeft Utrecht goede redenen om de verenigbaarheid van haar uitsterfbeleid en haar positie als mensenrechtenstad te herbeoordelen. Als Utrecht erin slaagt op dit gebied een beleid te voeren dat rekening houdt met de mensenrechten, kan het haar leiderschapsrol als de eerste mensenrechtenstad in Nederland verder uitbouwen.

Bijdrage van Friederycke Haijer