Hongaars premier heeft liefst een niet-liberale staat

De Hongaarse premier Viktor Orbán heeft een niet-liberale staat gebaseerd op een eigen, nationale aanpak voor ogen. Rusland, China en Turkije dienen als voorbeelden.

Afgelopen week heeft de Hongaarse premier Viktor Orbán in een toespraak voor etnische Hongaren in Roemenië opgeroepen om ‘‘te werken aan een niet-liberale nieuwe staat gebaseerd op een eigen, nationale aanpak’’. Hij verwees hierbij naar Rusland, Turkije en China als voorbeelden voor landen die succes hebben geboekt door af te zien van een liberale democratie.

Het laatste wat mensenrechtenactivisten willen is dat Hongarije zich in dit rijtje schaart. Het aantal mensenrechtenschendingen in Rusland is niet te tellen en de Russische overheidscontrole reikt veel verder dan wat in een democratie acceptabel is. De mensenrechtensituatie in China is niet minder zorgwekkend terwijl de onderdrukking van grondrechten Turkije de afgelopen jaren op veel kritiek is komen te staan.

De democratie in Hongarije wordt afgebroken

De uitspraken van Orbán komen op een moment dat de Hongaarse regering internationaal wordt veroordeeld voor machtsmisbruik, waaronder voortdurende aanvallen op de bewegingsvrijheid van ngo’s en het opleggen van een nieuwe belasting op reclame-inkomsten van mediaorganisaties met als doel het monddood maken van de weinig overgebleven kritische geluiden die tegen het regeringsbeleid ingaan.

Ondertussen worden de banden tussen Hongarije en Rusland nauwer, zoals onder meer blijkt uit het afsluiten van een overeenkomst over kernenergie. Orbán heeft verklaard dat de ‘‘de wind uit het oosten waait’’ en hij maakt geen geheim van zijn affiniteit met Vladimir Poetin. Ten aanzien van de Russische inmenging in de gebeurtenissen in Oekraïne, beperkte Orbán zich opvallend genoeg tot het uiten van zorgen over de Hongaarse etnische minderheid in het buurland.

Haalt de internationale kritiek wat uit?

Naar aanleiding van Orbáns pleidooi voor een niet-liberale staat hebben de internationale media, waaronder de The New York Times, Hongarije de wind van voren gegeven voor het blijven vasthouden aan een nationalistische agenda ten koste van de mensenrechten. De EU reageert traag. Ook al hebben een aantal hooggeplaatste mensen in Brussel, waaronder commissaris Neelie Kroes, publiekelijk kritiek geuit op de beknotting van de ngo’s en de media in Hongarije, zijn er door de EU tegen het land nog altijd geen concrete maatregelen genomen.

Volgens Orbán sluit het vormen van een niet-liberale staat en het blijven van een prominent EU-land elkaar niet uit, ook al valt dit moeilijk voor te stellen. Als de EU niet daadkrachtig optreedt is er voor de Hongaarse regering weinig aanleiding om te stoppen met de aanvallen op de burgermaatschappij en de organen die fundamenteel zijn binnen een democratie. Zolang de EU blijft aarzelen over het wel of niet opschorten van het stemrecht van Hongarije in de Europese Raad of over het herzien van de financiering van het land, blijven voorvechters van democratie wachten op betere tijden.

Je moet cookies van derden accepteren om deze content te kunnen zien.