Militair personeel mag zich verenigen

Ook militair personeel heeft het recht gebruik te maken van de vrijheid van vereniging, oordeelt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak van een Franse gendarme.

Jean-Hugues Matelly is als management accountant officier in de gendarmerie van het Franse Picardië. In april 2007 werd het internetforum ‘‘Gendarmes et citoyens’’ (Gendarmes en burgers) opgezet. Het forum werd goed beheerd en gemodereerd en was in het leven geroepen om gendarmes en burgers in staat te stellen zich te uiten en van gedachten te wisselen. In maart 2008 werd een vereniging genaamd ‘‘Forum gendarmes et citoyens’’ (Forum voor gendarmes en burgers) opgericht om te dienen als juridisch kader van het al bestaande internetforum. Matelly was een van de oprichters en werd vicevoorzitter. Naast burgers en gepensioneerde gendarmes, waren gendarmes in dienst bij de vereniging betrokken als leden, en sommigen zaten in het bestuur.

Vereniging als vakbond?

Een maand later lichtte Matelly landmachtgeneraal Guy Parayre – het nationale hoofd van de gendarmerie – in over de oprichting van de vereniging en liet hem weten dat zij hoofdzakelijk een communicatief doel had. Parayre gebood Matelly en andere nog in dienst zijnde gendarmes zich onmiddellijk uit de vereniging terug te trekken omdat hij die beschouwde als een beroepsgroep gelijkwaardig aan een vakbond. En dat is verboden volgens de zogenaamde Code de la Défense, met name omdat een van de doelen van de vereniging was om ‘‘op te komen voor de vermogensbelangen en anderen belangen van de gendarmes’’.

Matelly toonde zich bereid dit doel aan te passen, en ook al werd dit doel uiteindelijk geheel geschrapt, werd Matelly halverwege 2008 gedwongen zijn functie als vicevoorzitter neer te leggen. Begin 2010 verwierp de Franse Raad van State een verzoek tot rechterlijke toetsing van het bevel tot aftreden van Matelly en andere gendarmes die lid waren van de vereniging.

Matelly diende een klacht in bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) omdat hij van mening was dat zijn vrijheid van meningsuiting (artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, EVRM) en vrijheid van vereniging en vergadering (artikel 11 EVRM) waren geschonden.

De strijdkrachten vereisen discipline

In de uitspraak (in het Frans) van 2 oktober 2014 behandelt het EHRM de klacht enkel vanuit het perspectief van artikel 11 EVRM, dat een waarborg biedt voor de vrijheid van vereniging, waar ook vakbondsvrijheid onder valt. Het EHRM benadrukt dat de bepalingen van dit artikel geen enkele beroepsgroep buitensluiten en slechts stellen dat ‘‘wettelijke beperkingen’’ kunnen worden opgelegd door de landen die lid zijn van de Raad van Europa, met name ten aanzien van de strijdkrachten, waar ook de gendarmerie toe wordt gerekend. Volgens het EHRM moeten deze beperkingen strikt worden opgevat maar mogen zij de essentie van het recht om zich te organiseren niet in de weg staan.

Ten aanzien van de zaak Matelly oordeelt het EHRM dat het bevel tot opzegging van het lidmaatschap van de vereniging Forum gendarmes et citoyens werd opgelegd op basis van de Code de la Défense, die een onderscheid maakt tussen het toegestane lidmaatschap van gewone verenigingen en het niet toegestane lidmaatschap van beroepsgroepen. Bovendien had de Raad van State geoordeeld dat een vereniging die bestaat om de vermogensbelangen en andere belangen van militair personeel te behartigen, behoort tot de tweede groep en dat de regelgeving die lidmaatschap van beroepsgroepen verbiedt, bedoeld is om de orde en discipline in de strijdkrachten te bewaren.

Totaalverbod onwettig

Vervolgens gaat het EHRM in op de vraag of de inmenging in de vrijheid van vereniging proportioneel was. De Franse staat had dan wel gezorgd voor speciale organen en procedures die rekening houden met de bekommernissen van militair personeel, maar die waren volgens het EHRM onvoldoende om de vrijheid van vereniging van dergelijk personeel te garanderen – een vrijheid waaronder het recht valt om vakbonden te vormen en je hierbij aan te sluiten. Het bevel tot aftreden van Matelly werd gegeven op basis van een nogal ruime interpretatie (het hebben van kernmerken van een vakbond) van de doelen van de vereniging. Daarnaast hadden de Franse autoriteiten onvoldoende rekening gehouden met de bereidheid van Matelly om het memorandum van de vereniging aan te passen en zo te voldoen aan zijn verplichtingen.

Het EHRM concludeert dat de inmenging in de rechten van Matelly niet gerechtvaardigd was. Aangezien het besluit van de Franse autoriteiten gelijk stond aan een absoluut verbod voor militair personeel om deel uit te maken van beroepsgroepen die gelijkenissen kunnen vertonen met vakbonden, is het EHRM van mening dat een totaalverbod op het vormen of lid worden van een vereniging indruist tegen de essentie van de vrijheid van vereniging en dat er sprake was van een schending van artikel 11 EVRM. Aangezien Matelly geen schadeclaim had ingediend, werd hem geen vergoeding toegekend.

In 19 van de 42 landen die lid zijn van de Raad van Europa wordt in de wetgeving niet voorzien in het recht op vrijheid van vereniging van militair personeel. Naar aanleiding van de uitspraak in de zaak Matelly moeten deze landen wetswijzigingen doorvoeren om te voldoen aan het EVRM en vergelijkbare overtredingen in de toekomst te voorkomen.