Bulgarije veroordeeld voor aanval op moskee in Sofia

Bulgarije heeft de vrijheid van godsdienst geschonden en nagelaten goed onderzoek te doen naar schermutselingen tussen aanhangers van een extreemrechtse partij en moskeegangers tijdens het vrijdagsgebed in Sofia in mei 2011.

In de zaak Karaahmed tegen Bulgarije is Bulgarije door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) veroordeeld voor het niet hebben voorkomen van een aanval van een extreemrechtse partij op een moskee in Sofia in 2011. Daarmee is inbreuk gemaakt op de vrijheid van gedachten, geweten en godsdienst, vastgelegd in artikel 9 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).

Volgens de Straatsburgse rechter is het land verantwoordelijk voor het niet beschermen van de verzoeker in de zaak, Veli Karaahmed, die samen met andere gelovigen werd bekogeld met stenen en metalen pijpen. Het onderzoek van de autoriteiten naar de aanval was bovendien ontoereikend en niet afgerond.

Schermutselingen rond vrijdagsgebed


In 2006 begon de nationalistische partij Ataka een campagne tegen wat zij bestempelde als het ‘gejank’ van de luidsprekers van de Banya Bashi moskee in Sofia. In mei 2011 monteerden aanhangers van de partij luidsprekers op een auto en reden vervolgens tijdens een vrijdagsgebed rondjes om de moskee. Ze speelden daarbij opnamen af van kerkklokken en christelijke gezangen.

Bij het daaropvolgende vrijdagsgebed organiseerde Ataka een protest naast de moskee, die was goedgekeurd door de burgemeester. Rond de 150 leden en aanhangers van de partij, waaronder partijleider Volen Siderov en andere hooggeplaatste figuren, verzamelden zich voor de moskee te midden van veel moslims die kwamen bidden.

Naast vlagvertoon met daarop nationalistische slogans schreeuwden de demonstranten racistische leuzen als ‘‘smerige terroristen’’, ‘‘tuig’’ en ‘‘Turkse handlangers’’. Een van de deelnemers aan het protest sneed met een zakmes langzaam een Turkse fez in tweeën en riep daarbij: ‘‘Zien jullie dit? Dit is wat met een ieder van jullie zal gebeuren!’’

De politie liet het protest doorgaan, ook toen de demonstranten de gelovigen begonnen te bekogelen met stenen, stokken en metalen pijpen en zelfs gebedskleden in brand staken. Pas toen het geweld goed en wel was uitgebroken werd er ingegrepen. Vijf moslims, vijf politieagenten en een parlementslid van Ataka raakten gewond bij de ongeregeldheden, die door verschillende media werden gefilmd en waar zij uitgebreid verslag van deden.

Toegang tot de rechter in Bulgarije


Er kwamen verschillende onderzoeken naar het hooliganisme en de verwondingen die mensen bij de aanval opliepen. Op basis van een bezwaarschrift van Veli Karaahmed – die werd bijgestaan door het hoofd van het juridisch programma van het Bulgarian Helsinki Committee, Margarita Ilieva – werd een onderzoek geopend naar het prediken van religieuze haat. Het Openbaar Ministerie van Sofia weigerde in te gaan op het verzoek van Karaahmed om als slachtoffer mee te werken aan het onderzoek omdat hij persoonlijk geen verwondingen opliep en daarom niet als slachtoffer werd aangemerkt.

Karaahmed ging tegen deze beslissing in beroep, maar ook daar werd hem de deelname aan het onderzoek ontzegd, evenals de toegang tot de documenten in de zaak. Zijn rechten die hij zou hebben gehad als hij erkend was als slachtoffer, kon hij daarom niet uitoefenen. In januari 2013 was de zaak nog steeds aanhangig en moest vervolging nog plaatsvinden. Hierop stapte Karaahmed naar het EHRM.

De uitspraak van het EHRM


Gezien de standpunten van Ataka ten aanzien van de islam en moslims, had het voor de Bulgaarse autoriteiten duidelijk moeten zijn wat voor demonstratie samen zou vallen met het vrijdagsgebed in de moskee, redeneert het EHRM. Pas nadat de demonstratie uit de hand was gelopen werden er maatregelen genomen om de situatie onder controle te krijgen.

Maar toen was het kwaad al geschied. Met haar gewelddadige demonstratie heeft Ataka inbreuk gemaakt op de vrijheid van godsdienst van Karaahmed en andere gelovigen. De autoriteiten hebben nagelaten dit te voorkomen en de balans te vinden tussen de rechten van de demonstranten en de rechten van gelovigen.

Door de aandacht alleen te vestigen op het volume van de luidspreker van de moskee, wordt de ware aard van de demonstratie onderschat. De veelal in het zwart geklede demonstranten bedienden zich van slogans tegen etnische Turken en moslims in Bulgarije die aan duidelijkheid niets te wensen overlieten. De actie van Ataka was niet bedoeld om onvrede te uiten over geluidsoverlast en was zelfs niet gericht tegen de islam, maar was duidelijk voorbereid om de gelovigen dwars te zitten en geweld uit te lokken.

Ook na de demonstratie bleek het optreden van de autoriteiten ontoereikend. Het onderzoek naar het prediken van religieuze haat dat in mei 2011 is geopend, moet vier jaar na het incident nog altijd worden afgerond. Het is daarnaast bijzonder verontrustend dat er geen enkele vooruitgang is geboekt in het identificeren en aanklagen van de verantwoordelijke relschoppers, ook al zijn zij duidelijk op videobeelden vastgelegd.

Afgezien van een partijlid van Ataka is bovendien geen van de leiders van de demonstratie gehoord. Voor het EHRM is de onschendbaarheid van parlementsleden geen reden om hen niet aan de tand te voelen. Het onderzoek dat is ingesteld is daarom door het EHRM afgedaan als ondoelmatig.

Het EHRM heeft Karaahmed een schadevergoeding van 3000 euro voor immateriële schade toegekend.