'Mensenrechtenhof slaat plank mis met goedkeuring boerkaverbod'

Een boerkaverbod is niet in strijd met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, bepaalde de rechter in Straatsburg vorig jaar. Mensenrechtendeskundige Eugenia Relaño analyseert deze uitspraak.

Enkele maanden geleden heeft Rights International Spain een gedetailleerde analyse uitgebracht over de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak S.A.S. tegen Frankrijk. Deze analyse van Egenia Relaño, deskundige op het gebied van de mensenrechten en de vrijheid van religie, maakt onderdeel uit van een reeks artikelen onder de naam ‘Juridische debatten’. De artikelen worden gepubliceerd door RIS maar geschreven door academici van buiten deze organisatie.

In de betreffende zaak bepaalde de rechter in Straatsburg dat het absolute verbod op het dragen van gezichtsbedekkende kleding in openbare ruimten niet in strijd is met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Nu het Nederlandse kabinet heeft ingestemd met een beperkt boerkaverbod op basis van bepaalde onderdelen van deze uitspraak, is het debat over hoofddoekjes en boerka’s in verschillende Europese landen opnieuw aangewakkerd. Hieronder een fragment van het artikel Relaño, die na analyse van de argumenten van het EHRM, haar eigen conclusies heeft getrokken.

------

In de zaak S.A.S. tegen Frankrijk missen de argumenten van het EHRM voor een boerkaverbod in de openbare ruimte juridische samenhang en geven zij blijk van oppervlakkigheid en vooringenomenheid. Het gebrek aan een solide juridische basis wordt gecompenseerd door emotionele uitingen, die zijn versterkt en vergroot door de media. Het doel van het rechtssysteem is het wegnemen van rechtsonzekerheid en het discreet toepassen van de wet, of, meer specifiek in dit geval, het discreet inperken van rechten. De juridische en praktische haalbaarheid van een algemeen verbod op boerka’s in de openbare ruimte moet ter discussie worden gesteld: een dergelijk verbod is grotendeels onnodig want er bestaan al afdoende specifieke verboden om de openbare veiligheid en orde te waarborgen. Verontwaardiging, afkeuring of verwarring ten aanzien van bepaalde gebruiken zijn onvoldoende reden om grondrechten in te perken. Zoals het EHRM duidelijk heeft gemaakt mag de vrijheid van meningsuiting niet worden beknot aan de hand van demagogie. Als dat het geval zou zijn zou het bij het minste of geringste genoeg zijn gedaan zijn met de vrijheid van meningsuiting en vereniging. Een van de fundamenten van de theorie van mensenrechten is het proportionaliteitsvereiste. Een ‘dringende sociale behoefte’ als rechtvaardiging voor een recht kan niet worden gegrond op een juridisch onbepaald begrip als ‘samenleven’.

Het EHRM is van mening dat het doel van de Franse wet legitiem is: de bescherming van de rechten van anderen, met name door het creëren van voorwaarden die individuen de mogelijkheid geven ‘samen te leven’. Als we dit argument omarmen, stuiten we op een nieuw metajuridisch concept (‘samenleven’) waarbij een meerderheid in de samenleving een moraal op het gebied van openbare gepastheid oplegt aan een minderheid en waarbij inperkingen van de volledige uitoefening van individuele vrijheid worden gerechtvaardigd. Hier is niet alleen sprake van een gevaarlijke totalitaire wending, maar ook van een onwettige inbreuk van de staat op de menselijke waardigheid, een strikt persoonlijke en niet overdraagbare waarde. Vanuit juridisch oogpunt mag waardigheid niet worden geëxternaliseerd en worden omgetoverd tot een publieke ethiek van ‘samenleven’ om individuen te behoeden voor hun eigen waardigheid en uitoefeningen van hun rechten en fundamentele vrijheden. Dit is juridisch betekenisloos en duidelijk een instrument van onderdrukking.

In de zaak S.A.S. tegen Frankrijk heeft het EHRM zich bezondigd aan juridisch activisme door een algeheel verbod op boerka’s te rechtvaardigen op basis van de veronderstelde eisen om samen te kunnen leven, iets dat mogelijk door een meerderheid in de samenleving wordt gesteund, maar waarvoor nauwelijks rechtsgronden bestaan. De inperking van rechten moet per definitie evenredig zijn aan specifieke omstandigheden van tijd en plaats; een algemeen verbod is geen inperking gebaseerd op omstandigheden maar een onverholen verbod van de openbare uitoefening van verschillende vrijheden. Spijtig genoeg heeft het EHRM in deze zaak zijn eigen precedenten over het hoofd gezien. In de zaak Eweida c.s. tegen Verenigd Koninkrijk bepaalde het Hof immers nog dat het recht om openlijk geloof te belijden een grondrecht is, omdat een gezonde democratische samenleving pluralisme en diversiteit moet tolereren, en omdat individuen bij wie godsdienst een belangrijk onderdeel van hun leven is, het recht hebben om hun overtuigingen over te brengen op anderen.

Zoals voormalig mensenrechtencommissaris van de Raad van Europa, Thomas Hammarberg, al aangaf: ‘‘Het feit dat het publieke debat zich in een aantal Europese landen uitsluitend richt op wat wordt gezien als moslimkleding, geeft de indruk dat mensen zich afzetten tegen één bepaalde godsdienst. Sommige argumenten zijn zonder meer islamofoob van aard en die dragen er zeker niet toe bij om nader tot elkaar te komen en de dialoog aan te gaan.’’ De belangen van de meerderheid in de samenleving duwt moslima’s niet alleen in een schizoïde situatie door hen tot thuisblijven te veroordelen, het toont ook een begrip van ‘samenleven’ op basis van het verhullen van tegenstrijdigheden en angsten.

Een specifieke bevolkingsgroep – moslima’s – wordt getroffen door de gevolgen van een dergelijk verbod en dat is een ernstige schending van het beginsel van non-discriminatie op basis van overtuiging, godsdienst of geslacht. Er is niet aangetoond dat dergelijke maatregelen noodzakelijk zijn om de publieke veiligheid te waarborgen. In tegendeel, het verbod heeft laten zien in welke mate wetten moeten buigen voor een angstcultuur waarin speculatie en stereotypen zich verschuilen achter een juridisch masker. En dat is een groot gevaar voor een pluralistische en gezonde democratie.