Verbod op voorwaardelijke vrijlating levenslange gevangenen Litouwen is schending van hun rechten

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft besloten dat gevangenen niet alle hoop kan worden ontnomen dat ze op een dag zullen kunnen bewijzen dat ze zijn veranderd en voor een voorwaardelijke vrijlating in aanmerking komen.
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) besloot dat het huidige verbod op de omzetting van levenslange gevangenisstraffen in Litouwen een schending is van de rechten van de veroordeelde.

In de zaak Matiošaitis en anderen v. Litouwen vonden acht levenslang gevangenen dat Litouwen Artikel 3 van het Verdrag schond (verbod op onmenselijke en vernederende behandeling).

Voorwaardelijke vrijlating niet toegestaan

De aanvragers, die allen gevangenisstraffen voor verschillende serieuze misdaden uitzitten, wilden bewijzen dat de staat hen niet een echte kans biedt op vervroegde vrijlating, ook niet wanneer hun gedrag zou verbeteren en ze niet langer een bedreiging voor de samenleving zouden vormen.

De Wet op Tenuitvoerlegging van Straffen van de Republiek van Litouwen staat niet toe dat levenslang gevangenen in aanmerking komen voor voorwaardelijke vrijlating. De enige manier dat deze gevangenen kunnen hopen op omzetting van hun straf onder de huidige wetten is door het verkrijgen van een presidentieel pardon.

Na het presidentieel pardon onderzocht te hebben vond het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat ondanks dat de procedure helder en ondubbelzinnig is, er geen vereiste is om specifieke redenen te geven om het pardon af te wijzen.

Het is voor veroordeelden niet duidelijk wat ze moeten veranderen om een pardon te krijgen. Daarbij kunnen besluiten over een presidentieel pardon niet voor het Hof worden gebracht.

Pardon is uitzondering, niet regel

Het EHRM overwoog ook het feit dat een presidentieel pardon praktisch nooit wordt gegeven aan levenslang gevangenen.

Gelet op de statistieken had maar één van de 35 levenslang veroordeelden die gratie hadden aangevraagd het gekregen. Daarom beoordeelde het hof dat de vordering van de aanvragers (namelijk dat een pardon een uitzondering was) verdienste had.

Volgens de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, wordt het recht van veroordeelden om hun vonnis te herzien vertaald naar een echte herziening van alle relevante informatie om te beoordelen of voortzetting van de gevangenisstraf op basis van penologische redenen gerechtvaardigd is.

Daarbij moeten veroordeelden weten wat ze moeten doen en hoe ze moeten veranderen om overwogen te worden voor vervroegde vrijlating.

Recht op hoop

Volgens het hof zouden gevangenen niet alle hoop moeten worden ontnomen dat ze op een dag kunnen bewijzen dat ze door hun daden daadwerkelijk veranderd zijn. Hen veroordelen om de rest van hun leven geïsoleerd door te brengen, zonder enige hoop dat ze kunnen bewijzen dat ze zijn veranderd, resulteert in omstandigheden die vernederend zijn voor de menselijke waardigheid.

Het EHRM merkte verder op dat de staat geen plannen maakt om dit rechtsgebied te hervormen.

In licht van deze omstandigheden vond het Hof unaniem dat Litouwen artikel 3 van het Verdrag had geschonden.

Het Human Rights Monitoring Institute heeft zich als derde partij bij de aanvragers gevoegd in het proces.

Volgens Karolis Liutkevičius, de advocaat die het instituut vertegenwoordigt in deze zaak, zou het verbod op voorwaardelijke vrijlating voor levenslange gevangenen opheffen de makkelijkste manier zijn om aan de uitspraak van het EHRM te voldoen.