Stevige kritiek op vreemdelingenrechtspraak van Nederlands hoogste algemene bestuursrechter

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de hoogste algemene bestuursrechter van Nederland, kiest in het vreemdelingenrecht in hoofdlijnen partij voor de Nederlandse staat en kiest zelden de kant van de vreemdeling.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de hoogste algemene bestuursrechter van Nederland, kiest in het vreemdelingenrecht in hoofdlijnen partij voor de Nederlandse staat en kiest zelden de kant van de vreemdeling. Dit zou blijken uit recent onderzoek van prof. mr. T.P. Spijkerboer, vooraanstaand hoogleraar migratierecht aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Spijkerboer onderzocht 638 uitspraken van de hoogste algemene bestuursrechter uit 2010 en 2011. Hieruit blijkt volgens Spijkerboer dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zich in het vreemdelingenrecht niet opstelt als bewaker van de grondrechten en zij haar eigen rol ten opzichte van de Nederlandse overheid de afgelopen jaren steeds kleiner heeft gemaakt. De hoogste bestuursrechter laat het aan de Nederlandse staat, in dit geval de staatssecretaris, om bijvoorbeeld te bepalen of het vluchtverhaal van een vreemdeling geloofwaardig is. De Raad van State kijkt in de visie van Spijkerboer niet naar de grondrechten, maar controleert enkel of de Nederlandse staat niet op evident onredelijke wijze tot een besluit is gekomen. Of hierdoor vreemdelingen onterecht het land zijn uitgezet kan Spijkerboer niet zeggen. De rechter heeft naar zijn mening simpelweg niet grondig genoeg naar de zaken gekeken.

Staatsraad mr. H.G. Lubberdink, voorzitter van de Vreemdelingenkamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, geeft in reactie op de kritiek aan dat de grondrechten wel degelijk een prominente rol spelen bij de toetsing van de uitvoering van het vreemdelingenbeleid van de Nederlandse overheid. Dit zou volgens hem blijken uit recente rechtspraak van de Raad van State over Eritreërs, Oeigoeren, homoseksuelen en christenen en Yezidi's uit Irak, op basis waarvan de staatssecretaris zijn beleid heeft moeten aanpassen. Dat de hoogste bestuursrechter haar rol ten opzichte van de Nederlandse overheid steeds kleiner zou hebben gemaakt, herkent Lubberdink niet. Hij geeft daarbij aan dat de Raad van State regelmatig prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie in Luxemburg stelt en dat zij in belangrijke dossiers aantoonbaar grenzen heeft gesteld aan de uitvoering van het vreemdelingenbeleid door de staatssecretaris.

Dat de hoogste bestuursrechter een zeer uitzonderlijke attitude kiest in het vreemdelingenrecht, is volgens Spijkerboer iets om ongerust over te zijn. De kritiek van lagere rechters en wetenschappers op de Raad van State is dan ook opmerkelijk fel van toon. Er ligt momenteel een wetsvoorstel in de Tweede Kamer die de marginale toets die de bestuursrechter moet uitvoeren vervangt door een inhoudelijke toets, waarmee de rol van de (hoogste) bestuursrechter ten opzichte van de Nederlandse overheid weer groter zou moeten worden. Mocht de wetswijziging er komen, dan is het volgens Spijkerboer nog maar de vraag of de Afdeling bestuursrechtspraak zich eraan zal houden. Het zou immers niet de eerste keer zou zijn dat zij een wetswijziging niet volgt.

Onlangs kwam het nieuwe boek uit dat Spijkerboer hierover schreef: ‘De Nederlandse rechter in het vreemdelingenrecht’.

Bijdrage van: Lisanne Franssen