Met het oog op zorgen over foltering blokkeert Italië uitlevering naar Roemenië

Het Hof zei dat de Italiaanse autoriteiten het risico op onmenselijke of vernederende behandelingen, die zich zouden kunnen voordoen zodra de gevangene naar Roemenië wordt overgebracht, opnieuw zouden moeten onderzoeken.

Onzeker lot

Het Italiaanse Hof van Cassatie heeft een uitspraak van een lagere rechtbank vernietigd dat stelde dat de staat de Roemeense C.D. Enache moest uitleveren aan de Roemeense autoriteiten op basis van een Europees aanhoudingsbevel. Het Hof van Cassatie ging akkoord met het beroep van Enache tegen het uitleveringsbevel, uitgevaardigd door het Hof van Beroep van Venetië, omdat het Italiaans recht zou schenden. De wet zegt namelijk dat elke uitlevering die de persoon in gevaar zou brengen met foltering of onmenselijke of vernederende behandeling verboden is.

De beslissing van het Hof van Cassatie verwijst naar vaste jurisprudentie die van de overheid verlangt dat zij zich er volledig van vergewist dat gedeporteerden geen ernstig risico lopen bij hun terugkeer. Dit geldt met name wanneer de uitlevering is gevraagd door staten, zoals Roemenië, met gevangenissystemen die berucht zijn om hun misbruik en ondermaatse omstandigheden.

Europese rechtspraak

Het Hof verwees ook naar jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HJEU) - met name de samengevoegde zaken van Aranyosi en Căldăraru, waarin werd bevestigd dat uitleveringsstaten alle nodige informatie moeten inwinnen en "concrete en nauwkeurige" controles moeten uitvoeren op de omstandigheden in de gevangenis en de behandeling in een land van bestemming.

In deze zaak heeft het Hof van Cassatie vastgesteld dat de door de Roemeense autoriteiten verstrekte informatie ontoereikend was om de gevangenisomstandigheden in afwachting van Enache te verifiëren. Het Hof maakte zich met name zorgen over het feit dat de Roemeense autoriteiten weigerden te zeggen naar welke gevangenis Enache zou worden gezonden, en evenmin onder welke detentieregeling Enache zou komen te leven.

Naast de verwijzing naar de jurisprudentie van het HvJEU, heeft het Hof van Cassatie ook verwezen naar een uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) over de minimale individuele ruimte in gevangenissen. In Muršić v. Kroatië was het EHRM van oordeel dat de celruimte die aan elke gevangene wordt geboden, moet worden overwogen bij het vaststellen van schendingen van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Dit artikel verbiedt foltering en onmenselijke of vernederende behandelingen. Het EHRM oordeelde in Muršić dat cellen minstens drie vierkante meter groot moeten zijn of anders het risico lopen artikel 3 te schenden.

Nieuwe evaluatie vereist

In de onderhavige zaak heeft de Italiaanse rechter bepaald dat er een "sterke aanname" was dat Roemenië artikel 3 zou schenden bij de detentie van Enache. Vanwege dit vermoeden zei de rechtbank dat de last bij de Italiaanse autoriteiten lag om ervoor te zorgen dat hun Roemeense tegenhangers zouden instemmen met drie elementen om adequaat te compenseren voor elk gebrek aan persoonlijke ruimte: een vaste, korte termijn van de detentie; voldoende bewegingsvrijheid en toegang tot adequate activiteiten buiten de cel voor de gedetineerde; en het bestaan van over het algemeen eerlijke gevangenisomstandigheden.

Volgens het Hof van Cassatie voldeed de door de Roemeense autoriteiten verstrekte informatie niet aan deze drie elementen en gaf dat geen garanties over de algehele kwaliteit van Enache's detentie. Om deze reden heeft het Hof de uitspraak van het Hof van Beroep vernietigd en een nieuwe evaluatie - volgens de hierboven genoemde principes - geëist, om zo het reële risico van onmenselijke of vernederende behandelingen te bepalen dat Enache zou verwachten in Roemenië. Het Hof verwees de zaak naar een andere afdeling van het Hof van Beroep van Venetië voor een nieuw vonnis.