Waarom voert de Hongaarse regering oorlog tegen het maatschappelijk middenveld?

Terwijl de Hongaarse regering haar banden aanhaalt met Poetin, voert zij een oorlog tegen het maatschappelijk middenveld, in Hongarije een van de weinig overgebleven vrije en kritische geluiden.

De Hongaarse minister president Viktor Orbán heeft van Vladimir Poetin nog veel te leren over politieke onderdrukking, maar hij bevindt zich op de juiste weg. Tijdens zijn eerste termijn heeft hij het Systeem van nationale coöperatie geïntroduceerd, een nieuw politiek en economisch systeem waarmee hij grondwettelijke veranderingen erdoorheen heeft gedrukt, de checks and balances van de democratie heeft verzwakt en de overheidscorruptie naar ongekende hoogten heeft laten stijgen. Orbán heeft onafhankelijke instellingen en de meeste media-organisaties onder overheidscontrole geplaatst en het verkiezingssysteem veranderd ten faveure van zijn regerende Fidesz-partij. Afgezien van de zwakke oppositie hebben deze veranderingen een grote bijdrage geleverd aan de overweldigende overwinning van Fidesz tijdens de landelijke verkiezingen afgelopen april.

Nu lijkt het erop dat de onafhankelijke, kritische burgermaatschappij het volgende doelwit wordt van de regering. Zoals ook het geval is in Rusland, hebben commentatoren die de regering steunen een lastercampagne gestart tegen kritische ngo’s die gefinancierd worden door internationale donateurs. De betreffende ngo’s worden ervan beschuldigd te fungeren als intermediair van buitenlandse mogendheden. In Hongarije worden politiek andersdenkenden vaak weggezet als landverraders. In een persverklaring van de regering wordt iedere kritiek omschreven als ‘‘een aanval op Hongarije gefinancierd door George Soros’’.

De regering laat dit retorische offensief gepaard gaan met bureaucratische intimidatie door een einde proberen te maken aan de internationale financiering van de onafhankelijke ngo’s. Afgezien van de Open Society Foundations van George Soros, zijn het NGO Fund onder de hoede van de Europese Economische Ruimte (EER) en de Norway Grants de grootste doorn in het oog van de regering Orbán. De EER en de Norway Grants vertegenwoordigen de financiële bijdragen van Noorwegen, IJsland en Liechtenstein bedoeld om economische en sociale ongelijkheid binnen de EER tegen te gaan. In mei dit jaar heeft de Noorse regering de subsidieverlening opgeschort nadat Hongarije de overeenkomst ten aanzien van de uitvoering van en het toezicht op het subsidieplan had geschonden. Het NGO Fund werd niet opgeschort, dat wordt namelijk gerund door een onafhankelijk consortium van ngo’s en niet door de regering.

Als vergelding hierop stuurde kabinetschef Janos Lazar een open brief aan de Noorse regering die hij ervan beschuldigde zich in te mengen in de Hongaarse politiek doormiddel van de financiering van ngo’s die, zo beweert hij, banden hebben met de oppositiepartijen. Hij gaf het Controlebureau van de regering (KEHI) de opdracht onderzoek te verrichten naar de begunstigde ngo’s. Het meest directe bewijs dat dit onderzoek politiek gemotiveerd is, is het feit dat KEHI opnieuw op zijn website heeft beweerd dat de ‘‘links-liberalen’’ en de ‘‘homoseksuele lobby’’ achter de NGO Fund zitten. Er werd gedreigd de KvK-nummers van de ngo’s in te trekken – wat de organisaties op de lange termijn de das om zou doen – als zij niet zouden meewerken. Noorwegen, dat al gauw werd bijgestaan door de VS, heeft hierover zijn ernstige zorgen geuit.

Verschillende Hongaarse ngo’s hebben subsidie ontvangen van de NGO Fund om hun bijdrage aan sociale rechtvaardigheid, democratie en duurzame ontwikkeling te vergroten en de burgermaatschappij te versterken. Het is waar dat de meeste van deze organisaties behoren tot de scherpste critici ten aanzien van de antidemocratische maatregelen van de regering Orbán, maar zij zijn geen marionetten van de oppositiepartijen zoals Lazar beweert. De ngo’s waren net zo kritisch op eerdere regeringen. Zo heeft mijn eigen organisatie, de Hungarian Civil Liberties Union (HCLU), Orbán in 2007 juridisch bijgestaan toen de socialistische regering een belachelijk proces wegens smaad tegen hem was begonnen. Destijds was onze financiering afkomstig van dezelfde donateurs maar Orbán accepteerde onze hulp zonder bedenkingen. Ongeacht de regeringen die komen en gaan, zijn wij altijd blijven vechten voor dezelfde doelen en principes.

Hetzelfde kan niet worden gezegd over de ‘‘maatschappelijke’’ organisaties die grote sommen geld van de overheid hebben gekregen om zich achter de regering te scharen en lastercampagnes te organiseren tegen de oppositie tijdens de verkiezingen. Het beste voorbeeld van zo’n organisatie is het zogenaamde Civil Cooperation Forum (CÖF), geleid door Laszlo Csizmadia, die ook nog eens de president is van het Nationale coöperatiefonds (NEA), de belangrijkste subsidieverstrekkende instelling van de overheid. Csizmadia is een van de organisatoren van de zogenaamde ‘‘Vredesmarsen’’, massale demonstraties waarbij tienduizenden deelnemers met bussen vanuit het platteland naar de steden worden overgebracht om hun steun aan de regering te betuigen. Zijn NEA heeft subsidie verleend aan media die de regering steunen en aan organisaties die worden geleid door politici van de regeringspartij.

Het is onwaarschijnlijk dat politici van Fidesz daadwerkelijk geloven dat mensenrechten ngo’s samenzweren tegen de staat. Een van de echte redenen achter hun opeenstapeling van harde maatregelen is de zucht naar directe controle over alle onderdelen van het maatschappelijk middenveld door alle donateurs die hieraan hun steun verlenen uit de weg te ruimen of tenminste te verzwakken. Donateurs als de Open Society Foundation en de NGO Fund bieden Hongaarse ngo’s een unieke kans om te groeien en partnerschappen aan te gaan om een sterke burgermaatschappij te creëren die in staat is in opstand te komen tegen mensenrechtenschendingen en de overheid kan dwingen transparanter te zijn en meer rekenschap af te leggen. Orbán, ooit zelf een begunstigde van Soros, realiseert zich dat een sterke burgermaatschappij zijn ontluikende imperium waarschijnlijk in gevaar zal brengen.

Door Péter Sárosi