Katholieke leraar verliest baan om afwijkende standpunten

Het Europees Hof voor de rechten van de mens heeft het vonnis bekrachtigd van Spaanse rechtbanken tegen een leraar katholieke godsdienst die zijn baan terugwilde nadat hij was ontslagen vanwege opvattingen tegenstrijdig met die van de kerk.

In 1984 vroeg de Spanjaard Jose Antonio Fernandez Martinez, die al sinds 1961 priester was, dispensatie van het celibaat aan. Hij kreeg geen antwoord van het Vaticaan en trad een jaar later in het huwelijk. In 1991 werd hij leraar katholieke godsdienst op een openbare school in Murcia. Zijn contract werd jaarlijks verlengd. In November 2006 werd in de regionale krant La Verdad een artikel geplaatst waarin Fernandez Martinez samen met andere tegenstanders van het celibaat die zich in een beweging hadden verenigd, prominent voorkwamen. Deze beweging verzet zich tegen de standpunten van de kerk ten aanzien van abortus, echtscheiding en seksualiteit. Bij het artikel was een foto geplaatst van het gezin van Fernandez Martinez.

In 1997 verleende het Vaticaan Fernandez Martinez dispensatie van het celibaat maar verbood hem tegelijkertijd om nog langer godsdienstonderwijs te geven. De bisschop van Murcia verzocht het Ministerie van Onderwijs het contract van de leraar niet te verlengen vanwege het ‘‘schandaal’’ waarbij hij betrokken was. Dit verzoek werd ingewilligd. De leraar wendde zich tot het arbeidsgerecht en eiste zijn baan terug. Het gerecht was van oordeel dat er met het ontslag op basis van deelname aan de anticelibaatbeweging sprake was van discriminatie. Fernandez Martinez moest opnieuw als leraar worden aangenomen. Het Ministerie ging echter met succes in hoger beroep. De hogere rechtbank was namelijk van mening dat de bisschop het recht heeft het dienstverband van catechisten al dan niet te verlengen, en in dit geval had hij ertoe besloten dat niet te doen: van een daadwerkelijk ‘‘ontslag’’ was geen sprake.

Fernandez Martinez zocht het nog hoger op en ging naar het Spaans Constitutioneel Hof. Door de scheiding tussen kerk en staat sprak het hof zich niet uit over de relatie tussen de leraar en de bisschop maar was wel van mening dat het besluit om het contract niet te vernieuwen gerechtvaardigd was. Fernandez Martinez had de aandacht op zichzelf gevestigd door mee te werken aan een nieuwsartikel. Op die manier benadrukte hij niet alleen dat hij een priester is met een vrouw en vijf kinderen, maar ook aanhanger van het antiklerikalisme. Mensen die godsdienst onderwijzen moeten een waardesysteem vertegenwoordigen dat vergelijkbaar is met de doctrines van het geloof, zo redeneerde het hof.

Vervolgens ging Fernandez Martinez naar het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM) omdat er op basis van zijn ontslag sprake zou zijn van een schending van artikel 8 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens (EVRM). De zaak werd in behandeling genomen door de Grote Kamer (zaak 56030/07) - die alleen voor buitengewone zaken en intern beroep bijeenkomt - en op 12 juni 2014 kwam er een uitspraak. Het EHRM oordeelde dat artikel 8 niet van toepassing is op deze zaak omdat de privékeuzes van Fernandez Martinez grote gevolgen hadden voor zijn beroepsleven. Het EHRM wijst, na onderzoek naar de juridische basis van zijn ontslag, op de bindende overeenkomsten tussen Spanje en het Vaticaan en stelt dat zijn rechten uiteindelijk niet geschonden zijn.

De priester had gezien de verplichting van het kerkrecht tot een ‘‘christelijke levenswandel’’ kunnen weten dat zijn contract niet verlengd zou worden, sprak het EHRM. De inmenging in het privéleven van Fernandez Martinez was bedoeld om de rechten van de Rooms-Katholieke Kerk te beschermen, waaronder haar autonomie bij het kiezen van catechisten. Een religieuze groep moet onafhankelijk de mensen kunnen kiezen die haar vertegenwoordigen. De rol van de staat is het beschermen van kerken met bestaansrecht, niet het zich mengen in geschillen tussen kerken en hun afvalligen. Vanwege haar autonomie kan een kerk loyaliteit verlangen van degenen die haar leer verspreiden. Ook al was er volgens het EHRM geen sprake van een schending van artikel 8, kwam het arrest er maar net doorheen met negen stemmen voor en acht stemmen tegen.

Drie rechters met afwijkende standpunten waren van mening dat Fernandez Martinez door de inmenging in zijn privéleven zijn baan was verloren, in hun ogen een schending van de bepalingen van het EVRM. Volgens de betreffende rechters had het krantenartikel geen invloed op de zaak en was de bisschop al op de hoogte van zijn antiklerikale standpunten voordat het artikel werd gepubliceerd.