Vincent Lambert mag van Europees Mensenrechtenhof waardig sterven

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is het eens met de Franse Raad van State dat de levensverlengende behandeling van de Fransman Vincent Lambert, die na een auto-ongeluk al jaren in een vegetatieve staat verkeert, mag worden stopgezet.

De verzoekers in de zaak Lambert et al. tegen Frankrijk zijn de ouders van Vincent Lambert, zijn zus en halfbroer. De Fransman liep in 2008 hoofdletsel op bij een auto-ongeluk. Sindsdien zijn al zijn ledematen verlamd en is hij volledig afhankelijk. Hij wordt in leven gehouden met kunstmatige voeding en vocht dat door een buisje wordt toegediend. Na de overlegprocedure op basis van de Franse ‘Leonetti’-wet (2005) over de rechten van patiënten en euthanasie, besloot de behandelend arts van Lambert op 11 januari 2014 om vanaf 13 januari van dat jaar zijn voeding- en vochttoediening stop te zetten. Na juridische stappen waarbij de uitvoering van het besluit van de arts werd opgeschort, verklaarde de Conseil d’État (de Franse Raad van State) op 24 juni 2014, met name op basis van een rapport van een medisch deskundige, het besluit van de arts alsnog rechtsgeldig.

Uitspraak Grote Kamer

De Grote Kamer van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), de hoogste macht binnen Europa die bestaat uit 17 rechters die alleen voor buitengewone zaken en intern beroep bijeenkomt, heeft bij meerderheid van stemmen bepaald dat er geen sprake zou zijn van een schending van artikel 2 (recht op leven) van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) als de voeding- en vochttoediening op basis van de uitspraak van de Conseil d’État daadwerkelijk wordt stopgezet.

Het EHRM heeft geconstateerd dat er geen consensus bestond tussen de lidstaten van de Raad van Europa over de stopzetting van de levensverlengende behandeling van Lambert. Op het gebied van levensbeëindiging moet lidstaten een beoordelingsmarge worden toegestaan. Het EHRM is van mening dat de bepalingen van de Leonetti-wet, zoals die zijn geïnterpreteerd door de Conseil d’État, een juridisch kader vormen dat duidelijk genoeg is om besluiten van artsen, zoals die in het geval van Lambert, accuraat in de praktijk te brengen.

Het EHRM was goed op de hoogte van het belang van de bijzonder complexe medische, juridische en ethische kwesties die door deze zaak zijn opgeworpen. Uitgaande van de omstandigheden van de zaak, benadrukte het EHRM dat het in eerste instantie aan de nationale autoriteiten is om het besluit tot stopzetting van een levensverlengende behandeling te toetsen aan nationale wetgeving en aan het EVRM en om de wensen van de patiënt vast te stellen overeenkomstig nationale wetgeving.

De rol van het EHRM bestond eruit te toetsen of Frankrijk zich aan zijn positieve verplichtingen volgens artikel 2 EVRM heeft gehouden. De rechters zijn van mening dat het juridisch kader van de Franse wetgeving zoals geïnterpreteerd door de Conseil d’État, en het zeer zorgvuldig uitgevoerde besluitvormingsproces, in lijn zijn met de vereisten van artikel 2.

Het EHRM is tot de conclusie gekomen dat de zaak van Lambert is onderworpen aan een diepgaand onderzoek waarin, mede op basis van een gedetailleerd medisch rapport en algemene opmerkingen van de hoogste medische en ethische organen, alle standpunten aan de orde zijn gekomen en alle aspecten zorgvuldig in overweging zijn genomen.