EHRM: vrijheid van meningsuiting prevaleert boven privéleven Prins van Monaco

De zaak betrof een arrest van het gerechtshof van Versailles waarin het Franse weekblad Paris Match was veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding van 50.000 euro wegens het publiceren van informatie over Prins Albert van Monaco.

Anne-Marie Couderc is hoofdredacteur van Paris Match. Hachette Filipacchi Associés is uitgever van dit weekblad. Op 3 mei 2005 publiceerde het Britse weekblad Daily Mail een artikel waarin een individu genaamd Mw. Coste stelde dat Albert Grimaldi, de Prins van Monaco, de vader was van haar zoontje.

Daily Mail kondigde een publicatie in Paris Match aan en beschreef kernelementen van de publicatie. Prins Albert verzocht daarop Paris Match om af te zien van publicatie. Op 4 mei 2005 publiceerde het Duitse weekblad Die Bunte een interview met Mw. Coste. De volgende dag publiceerde ook Paris Match een artikel met een interview met Mw. Coste, waarin zij stelde dat Prins Albert de vader was van haar kind. Bij het artikel was een foto geplaatst van Prins Albert met het kind in zijn armen.

Vonnis tegen Paris Match

Op 19 mei 2005 heeft Prins Albert Hachette Filipacchi Associés gedagvaard voor de rechtbank van Nanterre, waarbij hij schadevergoeding heeft geëist en een gerechtelijk bevel heeft gevraagd tot het plaatsen van de gerechtelijke uitspraak op de voorpagina van Paris Match. In juni 2005 heeft de rechtbank van Nanterre Hachette Filipacchi Associés veroordeeld tot het betalen van 50.000 euro non-materiële schadevergoeding aan Prins Albert, alsmede het publiceren van de uitspraak op de voorpagina van Paris Match als krantenkop, onder de titel ‘Vonnis van rechtbank tegen Paris Match op verzoek van Prins Albert van Monaco’.

Tegen deze uitspraak gingen Couderc en Hachette Filipacchi Associés in hoger beroep. Op 6 juli 2005 bracht Prins Albert een persbericht uit waarin hij erkende dat hij de vader van het kind was. In november 2005 verwierp het gerechtshof van Versailles het hoger beroep van Hachette tegen het oordeel tot het betalen van schadevergoeding. Wel wijzigde het gerechtshof de voorwaarden met betrekking tot het publiceren van de gerechtelijke uitspraak op de website van Paris Match: de uitspraak hoefde niet als krantenkop te verschijnen en niet de gehele voorpagina maar slechts een derde daarvan te beslaan. In cassatie bij het Hof van Cassatie bleef dit arrest in februari 2007 in stand.

Klacht bij het EHRM

Op 24 augustus 2007 dienden Couderc en Hachette Filipacchi Associés een klacht in bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Zij stelden dat er een ongerechtvaardigde inbreuk was op hun vrijheid van meningsuiting, zoals beschermd door art. 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Op 13 mei 2014 heeft de Vijfde Kamer van het EHRM de klacht ontvankelijk verklaard en uitspraak gedaan. Op 11 september 2014 heeft de Franse regering verzocht de zaak te verwijzen naar de Grote Kamer van het EHRM. Op 13 oktober 2014 heeft de Grote Kamer dit verzoek toegewezen. Op 15 april 2015 vond een hoorzitting plaats.

Tussen partijen was niet in geschil dat de uitspraken van de nationale gerechten een inperking vormden op de vrijheid van meningsuiting van de verzoekers. Ook was niet in geschil dat er een wettelijke basis voor deze inperking was in de artikelen 9 en 1382 van het Franse Burgerlijk Wetboek en dat er een legitiem doel was in de zin van art. 10 lid 2 EVRM, nl. de bescherming van de rechten van anderen, in casu het recht op bescherming van het privéleven van Prins Albert.

Privéleven versus publiek belang?

Ten aanzien van de vraag of de inperking noodzakelijk was in de democratische samenleving stelde het EHRM voorop dat een geboorte weliswaar een privékarakter heeft, maar toch ook in de publieke sfeer valt, omdat een geboorte in beginsel wordt bekendgemaakt en een juridische relatie tussen ouder en kind vestigt.

Met betrekking tot de situatie van de Prins van Monaco overweegt het EHRM dat de geboorte een dimensie van publiek belang had, door het feit dat de Prins, die eerder geen kinderen had, een mannelijk kind had gekregen. De geboorte van dit kind was niet zonder mogelijke gevolgen voor de dynastie en financiële gevolgen.

De mogelijke gevolgen voor de troonopvolging waren genoemd in het artikel. Ook werd in het artikel, in het commentaar van Mw. Coste, de kwestie van het belang van het kind bij het formeel vestigen van een vader-kind relatie aan de orde gesteld.

Het EHRM overwoog dat in casu de informatie in het artikel niet zonder politiek belang was, nu deze informatie de belangstelling van het publiek voor de regels betreffende de troonopvolging in het Prinsdom kon wekken. Deze regels verboden een troonopvolging door kinderen geboren buiten het huwelijk. Het Hof overwoog dat ook de houding van de Prins, die het vaderschap geheim had willen houden, in een erfelijke monarchie een aandachtspunt voor het publiek zou kunnen zijn. Dit gold ook voor zijn gedrag tegenover de moeder van het kind, die haar wens tot notariële erkenning niet had kunnen verwezenlijken.

Gelet op de aard van de informatie oordeelde het Hof dat de verzoekers, door het verhaal van Mw. Coste te publiceren, hadden bijgedragen aan de verslaglegging van een zaak van publiek belang.

Het EHRM merkte op dat de Prins een prominente persoon was. De nationale gerechten hadden daarom moeten onderzoeken in hoeverre zijn prominente positie en de publieke functies verbonden met zijn persoon invloed hadden op de mate waarin hij recht had op bescherming van zijn privéleven.

De nationale gerechten hadden dit niet onderzocht. Het Hof overwoog dat de nationale gerechten de potentiële impact van de status van de Prins als staatshoofd hadden moeten betrekken in de belangenafweging en in die context hadden moeten bepalen welke delen van de publicatie betrekking hadden op het privé-domein en welke delen betrekking hadden op de publieke sfeer.

Het EHRM gaf aan dat de publicatie weliswaar betrekking had op het privéleven van de Prins, maar dat de kern van de informatie - over het bestaan van het kind - verder reikte dan de privésfeer, gelet op de erfelijke aard van de functie van de Prins als staatshoofd van Monaco.

Ook merkte het EHRM op dat, nu de Prins verscheidende malen met Mw. Coste aan zijn zijde in het openbaar was verschenen, de relatie met haar niet meer uitsluitend tot het privédomein behoorde. Het Hof stelde vast dat de Prins het waarheidsgehalte van het artikel niet had betwist. Het Hof benadrukte in dit verband het belang van respect voor het waarheidsgehalte bij het verspreiden van informatie. Het overwoog dat dit respect essentieel is voor de bescherming van de reputatie van anderen.

Het Hof overwoog dat de nationale gerechten hadden moeten onderzoeken welke delen van de opmerkingen van Mw. Coste behoorden tot de kern van het privéleven van de Prins en welke delen van publiek belang zouden kunnen zijn. De nationale gerechten hebben dit niet onderzocht en hebben geoordeeld dat de publicatie op geen enkele wijze deel was van een debat over een zaak van publiek belang.

Schending artikel 10 EVRM

Het EHRM concludeerde dat de door de Franse regering aangevoerde argumenten met betrekking tot de bescherming van het privéleven van prins Albert niet voldoende waren om de inbreuk op de vrijheid van meningsuiting van de verzoekers te rechtvaardigen. De nationale gerechten hadden de beginselen en criteria voor het afwegen van het recht op privéleven en de vrijheid van meningsuiting, zoals neergelegd in de jurisprudentie van het Hof, onvoldoende in acht genomen.Gelet hierop oordeelde het EHRM unaniem dat art. 10 EVRM was geschonden.