Europees Hof geeft duiding aan richtlijnen over migranten

Rechtbanken moeten minder zware alternatieven voor inbewaringstelling van migranten in overweging nemen, oordeelt het Europees Hof in een zaak van een Soedanees wiens hechtenis werd verlengd ondanks vriendelijker alternatieve mogelijkheden.

Toen de Soedaneze Bashir Mohamed Ali Mahdi in augustus 2013 Servië probeerde binnen te komen werd hij in de Bulgaarse grensplaats Bregovo gearresteerd omdat hij geen geldig persoonsbewijs kon tonen. Hij werd overgebracht naar een detentiecentrum in Busmantsi net buiten de hoofdstad Sofia in afwachting van zijn uitzetting.

Twee dagen na zijn arrestatie tekende Mahdi een verklaring voor vrijwillige terugkeer naar Soedan. De Bulgaarse autoriteiten verzochten de Soedaneze regering om identiteitspapieren van Mahdi te overleggen zodat Bulgarije zijn uitzetting kon voltooien. Zij kregen echter te horen dan Soedan niet van plan was om reisdocumenten af te staan voor Mahdi, die inmiddels van gedachten was veranderd en zijn vrijwillige terugkeerovereenkomst had ingetrokken.

Langdurige inbewaringstelling, ondanks alternatieve mogelijkheden

En dus bleef Mahdi in het detentiecentrum in Busmantsi. Een Bulgaarse vrouw legde namens Mahdi een beëdigde verklaring af en verklaarde dat hij tijdens zijn verblijf in Bulgarije zou worden voorzien van een onderkomen en van middelen om in het levensonderhoud te voorzien. Dit werd door de autoriteiten van de hand gewezen – net als andere alternatieve mogelijkheden, waaronder vrijlating met een maandelijkse meldplicht bij het lokale Ministerie van Binnenlandse Zaken – op basis van het feit dat Mahdi het land niet legaal was binnengekomen, niet beschikte over een verblijfsvergunning, hem de status van vluchteling was geweigerd en dat zijn poging om over te steken naar Servië een strafbaar feit was.

Kort voordat zijn aanvankelijke inbewaringstelling van zes maanden ten einde zou komen, startten de Bulgaarse autoriteiten in februari 2014 een rechtszaak om deze te verlenging vanwege een gebrek aan medewerking van Mahdi en vanwege het risico dat hij bij vrijlating zou onderduiken. Omdat een aantal bepalingen in de relevante EU-wetgeving voor de rechtbank onduidelijk waren, werd een prejudiciële beslissing bij het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) aangevraagd.

Europees Hof verschaft duidelijkheid

Het HvJ verklaarde dat in een zaak die gaat over de verlenging van een aanvankelijke inbewaringstelling, een rechtbank in staat moet zijn om aan de hand van alle relevante informatie tot een uitspraak te komen die de vorige beslissing van de autoriteiten tenietdoet en die door diezelfde autoriteiten wordt nageleefd. De rechter moet de bevoegdheid hebben om te kiezen uit verschillende mogelijkheden – variërend van verlenging van bewaring tot vrijlating – en kan dus minder strenge maatregelen eisen dan de autoriteiten in gedachten hebben.

Daarnaast gaf het HvJ aan dat het niet hebben van een identiteitsbewijs op zichzelf geen rechtvaardiging is voor een verlengde inbewaringstelling. (In het geval van Mahdi was het feit dat hij geen identiteitsbewijs en verblijfsvergunning had, dus onvoldoende rechtvaardiging om zijn hechtenis te verlengen.) Als een rechtbank de inbewaringstelling verlengd, mag dat met maximaal 12 maanden.

“Gebrek aan medewerking”

Door te verwijzen naar de betreffende EU-richtlijn gaf het Europees Hof ook duiding aan de klacht van Bulgarije over het ‘‘gebrek aan medewerking van de onderdaan van een derde land’’. Er kon alleen sprake zijn geweest van een gebrek aan medewerking van Mahdi als zijn gedrag op directe wijze de inspanningen van de regering heeft belemmert en heeft gezorgd voor vertraging van zijn rechtszaak. Over zijn gedrag en bereidwilligheid om mee te werken moet door een nationale rechtbank worden geoordeeld.

Het HvJ erkende dat EU-landen geen verblijfsvergunningen hoeven af te geven aan onderdanen van een derde land simpelweg omdat ze er geen hebben. Maar een gebrek aan papieren mag zoals gezegd geen reden zijn voor verlengde inbewaringstelling en als er in een rechtszaak wordt besloten tot vrijlating, dan is het uitgeven van een schriftelijke bevestiging van de status van de persoon in kwestie het minste wat een EU-land moet doen.